Surfing Nicaragua

“Stop!”

Bij de grens met Nicaragua word ik aan Honduras zijde tot stoppen gebracht door een, naar mijn idee, grensbeambte. Zodra de man weg rent met mijn paperassen blijkt de man een ‘fixer’ te zijn: iemand die je de grens over helpt naar de andere kant. Deze bewuste fixer is vrij brutaal. Hij gaat niet in de rij staan, maar loopt gewoon overal naar binnen en trekt de juiste mensen aan de mouw. Voordat ik het weet staat hij weer naast me en geeft hij aan dat ik 30 dollar moet betalen om mijn motor door customs te krijgen. Een in mijn oren vrij vreemd verhaal. Dat zou de eerste keer zijn dat ik zo’n hoog bedrag moet betalen om mijn motor het land uit te krijgen.
“Waar kan ik betalen?”
“Nee, geef maar aan mij. Ik regel het wel.”
“Ik heb geen cash, dus moet sowieso met creditcard betalen.”
Voordat ik het weet staat er nog een mannetje naast me.
“Ik kan je wel naar een pinautomaat leiden voor 25 dollar.”
Aangezien ik weet dat de pinautomaat 2 kilometer verderop is, is dit een schandalig bedrag. Bovendien heb ik een motor, dus die twee kilometer zijn zo afgelegd.

Zodra ik geld wil halen, rent de fixer naar de douanebeambte om aan te geven dat ik niet met de motor terug mag het land in. Al het papierwerk om het land te verlaten is al geregeld.
“Mooi, als alles al geregeld is, hoef ik dus ook die 30 dollar niet te betalen voor mijn motor.”

Ik stap op de motor en rijd naar de grenspost met Nicaragua. Bij elke balie waar ik kom, betaal ik een paar dollar. Waar het allemaal voor is blijft meestal onduidelijk. Ook is het onduidelijk wat de prijzen precies zouden moeten zijn. De man waar je kopietjes moet maken van diverse documenten vraagt een willekeurig bedrag, de man die je motor op een vrij lakse wijze desinfecteert moet betaald worden en daarnaast vragen de douane en de verzekeringsbeambten nog geld. Ondanks dat op een papiertje staat dat de prijs 3 dollar is, moet ik 4 dollar betalen.

Het geheel is erg vermoeiend en neemt erg veel tijd in beslag. Zodra ik de boel voor elkaar heb, word ik tegengehouden door iemand die verzekeringen verkoopt. Al mijn geld is inmiddels besteed, dus ik geef aan dat ik naar zijn kantoortje wil gaan om daar te betalen met creditcard. De man heeft geen kantoor en betalen met creditcard is niet mogelijk. Als ik aangeef dat ik eerst ga pinnen, rent de man naar de politie, wijst naar mij om vervolgens weer naar mij terug te komen. Ik mag de grens niet over als ik niet verzekerd ben, aldus de man. Ik mag dus ook niet naar een pinautomaat rijden, maar gelukkig kan hij mij wel brengen voor een 25 dollar. Zelfde spelletje als aan de andere kant en ik ben er helemaal flauw van. Ik geef gas en onder luid gefluit en geschreeuw ga ik de grens over.

De komende 20 kilometer tot het pinautomaat besluit ik het gas erop te houden. Zonder problemen beland ik bij een pinautomaat. Aangezien de man bij de grens maar een vage indruk maakte met zijn verzekeringsbusiness besluit ik om door te rijden naar Managua om daar weekend te vieren en mijn verzekering te regelen.

In het hotel in het centrum van Managua, word mij zeer sterk aangeraden om niet de kilometer te lopen naar de nachtclub ‘El Chaman’. Ook hier schijnt het weer gevaarlijk te zijn en zodra het donker wordt, moet alles per taxi gedaan worden. De taxi rijdt me binnen een paar minuten naar de club alwaar de spaanstalige muziek me al in alle hevigheid tegemoet komt. Zodra ik naar binnen stap, zie ik een grote dansende massa. Iedereen gaat helemaal los op de reaggeton. De vrouwen schudden met alles dat ze hebben en de mannen staan er bezweet tegen op te rijden.

Onderweg naar de bar word ik al van alle kanten aangekeken. Managua staat, in tegenstelling tot de rest van Nicaragua, niet echt bekend als toeristische bestemming. Dit komt onder andere vanwege de reputatie dat het een gevaarlijke stad is. Daarnaast schijnt er niet heel veel te doen of bezichtigen te zijn.

De reaggeton dendert door en na een biertje voer ik mijn jaren 90 danspasjes uit. Al snel kom ik in contact met een stel dansende vrouwen en voordat ik het weet word ik voorgesteld aan andere neven en nichten. De tijd vliegt en zodra de klok vijf slaat, komt er een neef voorrijden om iedereen op te halen. Ook ik word geboden om in te stappen en gedwee stap ik in. In plaats van naar huis te gaan, worden eerst nog andere bars bezocht om vervolgens voor het huis van iemand te eindigen waar het meubilair buiten wordt gezet en de Flor de Cana (Rum) er aan te pas komt. Nadat na een uur het geheel mij aardig begint te duizelen, besluit ik om een taxi huiswaarts te nemen. Ook hier schijnt het weer gevaarlijk te zijn, want met drie man sterk word ik begeleid naar de hoofdweg om op een taxi te wachten.

Na mijn Managua avontuur besluit ik om naar San Juan del sur te gaan en om daar eens rond te kijken of het mogelijk is om te kitesurfen. San Juan del Sur blijkt echter voornamelijk bekend te zijn als golfsurfersparadijs. Na een dagje drie keer bijna verzopen te zijn, het surfboard viermaal te hebben weggekopt en gestoken te zijn door een of ander beest in het water, heb ik het wel gehad. Met de schaafwonden op mijn borst besluit ik dat het golfsurfen niets voor mij is.

San Juan is erg toeristisch en dat wordt weerspiegeld in de prijzen voor het eten en het gedrag van de mensen. Overal worden de prijzen in dollars weergegeven en een ‘goedendag’ wordt stug genegeerd. Bij een restaurant dient er zelfs betaald te worden voor gebruik van wifi. San Juan del sur verandert volgens een voorbijganger snel van een rustig dorpje (alhoewel het in het verleden een belangrijke doorvoerhaven was voor drugs) in een toeristische spot voor surfers en mensen die van mooie stranden houden. Ik heb mijn hostel echter al geboekt voor vier nachten, dus besluit nog maar om wat rond te hangen en met de motor rond te rijden.

Dat het gevaarlijk kan zijn in deze landen wordt wel duidelijk als een Schot in mijn hostel verteld over zijn ervaringen met een eerdere beroving in Guatemala. Op zijn weg hotelwaarts na een avondje drinken (een Schot, dus lees: zuipen), staan er voordat hij het door heeft drie mannetjes om hem heen. Na een klap te hebben uitgedeeld, staat er een mes op zijn keel en op zijn borst. Na afgifte van al zijn bezittingen, komt hij berooid aan in zijn hotel. Misschien bevatten de vele waarschuwingen (het meest gehoorde woord in de afgelopen maanden is “peligroso”) die ik intussen heb gekregen, dan toch een kern van waarheid.

Na vier dagen heb ik genoeg van het toeristische en besluit terug te gaan naar Managua om daar het weekend weer te gaan vieren. In het hotel lees ik over Bahia Salinas, een plek met 300 dagen per jaar wind en met als hoogtepunt de maanden november tot en met april. Aan een van de stranden zijn meerdere kitesurfers actief. Aangezien het vlak over de grens is van Nicaragua besluit ik om daar heen te gaan en een tijdje aan mijn kitevaardigheden te werken. Kitemateriaal is via internet snel geregeld en na twee jaar niet gekite te hebben, ziet het er naar uit dat ik na het weekend eindelijk weer op het water zal staan.

Op weg naar Costa Rica valt me op dat ik al sinds Mexico onafgebroken “achtervolgd” word door een onaangename verschijning. Overal waar je komt zweven ze boven mijn hoofd of zitten me vanaf de kant van de weg aan te loeren. Het is net alsof de gieren mijn geschiedenis als “motorheld” ingefluisterd hebben gekregen. Ik besluit me er echter niet aan te storen en voordat ik het weet sta ik al voor de grens met Costa Rica. Een nieuwe grensovergang en weer een nieuw grensavontuur.